Posts tonen met het label damusic. Alle posts tonen
Posts tonen met het label damusic. Alle posts tonen

donderdag 15 juli 2010

Mountain Man - Made The Harbor

Bij de gedachte aan de bergbevolking van het oude Amerika, verschijnen ons meteen – al dan niet terecht – de beestachtige hilbillies uit de film ‘Deliverance’ voor ogen. Gelukkig fladderen in een wereld van monsters even vrolijk elfjes rond. De drie meiden van Mountain Man zijn er het levende bewijs van, hoe misleidend die bandnaam ook mag zijn. Op ‘Made The Harbor’ verdiepen ze zich met akelige precisie in de antieke Amerikaanse folkmuziek.

Het lijkt daarbij alsof de tijd heeft stilgestaan in het Amerikaanse plaatsje Bennington, waar nachtegalen Molly Erin Sarle, Alexandra Sauser-Monnig en Amelia Randall Meath elkaar voor het eerst troffen. Hun muziek is naakt en authentiek en leidt je terug naar de tijd waarin Thomas Edison de eerste geluiden wist te vangen met zijn fonograaf.

Akkoord, de geluidskwaliteit is er een naar hedendaagse standaard, maar digitaal knip- en plakwerk vind je op ‘Made The Harbor’ niet terug. De voorbereidende kuchjes en aanwijzigingen werden niet eens uit de opname verwijderd. Ook in de teksten ontbreekt elk spoor van de 21ste eeuw. Ze gaan over mensen, de natuur, vogels (van meesjes tot witte reigers), de liefde en terloops zelfs over zwangerschap (Mouthwings). De thema’s zijn zo universeel dat ze evengoed nu kunnen plaatsvinden als honderd jaar of langer geleden.

Rechtstreeks naar het verleden verwijzen doet Mountain Man met een versie van How ‘m I Doin’?, een jazzstandard van de Aaron Sisters uit 1932 en de centrale piek van het album. Het is een verbluffende a-cappellaharmonie, die zich als een klopgeest tussen je oren nestelt. Muzikaal heeft de song wat weg van de soundtrack van ‘Les Triplettes de Belville’.

Kathedralen

Nummers als Mouthwings en Babylon graven nog dieper. De stemmen schurken aan tegen kerkelijke gezangen, sierlijk door elkaar kronkelend als de instrumenten van een barok strijkkwartet. Wees dus niet verbaasd als Mountain Man voor optredens kathedralen zou verkiezen boven folkkelders.

Nergens hangt er een trutterig sfeertje en elke song is scherpgerand. “And the sweat will roll down our backs and we’ll follow animal tracks,” zingen ze in Animal Tracks. Jonge twintigers brengen hun vrije dagen doorgaans anders door. In Honeybee brengt het drietal dan weer een geel-zwartgestreepte, bucolische ode, die van de hand van de klassieke dichter Vergilius had kunnen zijn.

De doodse stiltes tussen de songs zijn keer op keer voorbodes voor de vocale pracht die het trio erna ontvouwt. ‘Made The Harbor’ is dan ook helemaal geslaagd als herrijzenis van een ver en onbekend verleden. Ook wie zich niet gewillig laat inpakken door de muzen van Mountain Man, zal moeten toegeven dat het een van de meest onverwachte debuten van het jaar is.

zondag 27 juni 2010

Kula Shaker - Pelgrim's Progress

Wat te verwachten van een ooit controversiële band die in de nineties furore maakte met eigentijdse psychedelica en een stevige injectie Indiase hallucinogenen? Toch zeker niet dat hij naar het platteland rond Chimay zou trekken om er een nieuwe plaat in the blikken. Het effect van de omgeving op ‘Pelgrim’s Progress’ is moeilijk aan te tonen, maar de Ardeense lucht heeft Kula Shaker duidelijk deugd gedaan.

‘Pelgrim’s Progress’ is in de eerste plaats een goede plaat, maar globaal genomen laat ze een minder vastberaden band horen dan tijdens de gloriedagen elf jaar geleden. Na comebackplaat ‘Strangefolk’ (2007) hadden we overigens geen meesterwerk verwacht. Het momentum van de band is namelijk weg. Van 1996 tot 1999 kende de charismatische Crispian Mills met zijn groep een onwaarschijnlijk succes. Vooral de Britse thuisbodem daverde toen door singles als Hey Dude en Mystical Machine Gun.

Nummers van dat kaliber vind je nauwelijks op Kula Shakers vierde plaat. Een handvol songs valt onder de categorie van de rustieke folk en Indiase instrumenten als tabla’s en sitars, handelsmerken van de band, zijn eerder bij vlagen te horen.

De plaat begint vrij verrassend met Peter Pan R.I.P., dat wordt ingezet door een strijkerskwartet. De song is een grafrede voor de beroemde sprookjesheld. “I’m crying sweet tears of joy // Remembering the days // Games that we’ve played”, laat Mills zich ergens ontvallen. Het nummer laat zich dan ook best verstaan als een nostalgische trip richting jeugdjaren. Akoestische gitaren en strijkers regeren, maar basdrum en belletjes verraden Kula Shakers oosterse invloeden.

Laveren tussen kopie en grand cru

Modern Blues is dan weer Kula Shaker grand cru. Het nummer swingt, heeft een bezwerende melodie als refrein en is een geslaagd eresaluut aan de oude sound. Maar wanneer bij Figure It Out even verderop hetzelfde procédé wordt toegepast, dan klinkt het vooral alsof de band zichzelf kopieert. De tweede albumhelft heeft aanzienlijk minder karakter en samenhang. Nummers als Cavalry en To Wait Till I Come slagen er zelfs helemaal niet in om te beklijven.

Gelukkig eindigt de plaat met het verhoopte epos. Jawel, mét mellotron en een grandioos kerkorgel, waartegen zelfs een muur Marshallversterkers niet op zou kunnen. Tussen de akoestische passages van Winter’s Call door wordt er uitgebreid gesoleerd en toegewerkt naar een symfonisch sluitstuk.

Kula Shaker eindigt dus ambitieus en dat is positief. Dat ook enkele haardvuursongs goed uit de verf komen, bewijst dat de band van vele markten thuis is en nog altijd bestaansrecht heeft. Maar een magnum opus en een evenaring van de vroegere successen zit er voorlopig niet in.

Eerder verschenen op Damusic.be.

dinsdag 22 juni 2010

Vurige ode aan de vriendschap

José James & Jef Neve, 'For All We Know', Roma, Borgerhout, 19 juni 2010

Als José James en Jef Neve hun eerste Amerikaanse tournee onderbreken, dan hebben ze daar vast en zeker een goede reden voor. Inderdaad, de twee werden verwacht in de Antwerpse Roma voor de eerste Belgische voorstelling van hun duoplaat ‘For All We Know’. James noemde de avond “a celebration of our friendship [met Neve], music, our album, jazz, John Coltrane and all the beautiful moments in life”. En je merkte meteen dat het geen loze woorden waren.

Zelfs toen Neve en James als eerste bisnummer bluesstandard Everyday I Have The Blues inzetten, was er nergens een zweempje tristesse te bespeuren. James was inmiddels helemaal op temperatuur en liet zijn stem klimmen naar ongekende hoogtes. Gensters van spelplezier spatten de zaal in. Neve uitte hese kreten van pret en voldoening. En je dacht bij jezelf: "Meer kan je als duo op een podium, enkel bijgestaan door een piano en een microfoon, nauwelijks verwezenlijken."

Net als op de plaat speelde Neve daarbij een glansrol. Zowel in de intro’s als tijdens zijn solo’s trok hij alle registers open. In opener Autumn In New York evoceerde hij de herfst en zijn vallende bladeren. Embraceable You voorzag hij van een snelle, Teutoonse inleiding. Voor de solo pakte hij uit met iets wat het label jazz ver overstijgt. Zonder twijfel is hij een groter virtuoos dan pakweg drie jaar geleden.

Enkel bij vlagen maakte Neve het zichzelf wat moeilijk, zoals in het van Duke Ellington geleende Just Squeeze Me. De lichtvoetige compositie bracht humor in de set en ontlokte bij beide heren steelse blikken en lachjes. De gecompliceerde solo was echter wat zwaar op de hand. Toch vonden Neve en James de dartele toon daarna terug.

Draaide Neve van meet af aan op volle toeren, dan hield James er een andere strategie op na. Voor hem begon alles met een lichte rookontwikkeling om te eindigen met een uitslaande brand. Gaandeweg werd hij expressiever met zijn handen en guller met kniestoten. Improviseren deed hij steevast een stuk soberder dan tijdens zijn soloconcerten. Zo’n afgemeten dosering kenmerkt enkel de groten.

Stilaan legendarisch

Neve genoot zichtbaar van de nonchalante, enigszins hoekige wijze waarop James Gee Baby, Ain’t I Good To You aansneed. Ze weten elkaar duidelijk nog steeds te verrassen. In november 2008 verstomden ze voor het eerst samen de critici en het AB-publiek. Luttele maanden later deden ze dat nog eens over. Zelden kregen concerten zo snel legendarische allures toegedicht.

Het stokoude, krakende Romatheater bleek de uitgelezen locatie voor een reprise. De meeste nummers werden immers geschreven in de tijd dat de voormalige cinema werd gebouwd. Neve en James bewezen er alvast dat er meer dan ooit magie in de lucht hing, al was Georgia On My Mind een al te obligate afsluiter en kende Lush Life te veel pieken en dalen om echt te beklijven.

José James en Jef Neve kunnen nu met een gerust hart terug naar de plaats waar de nummers tot stand kwamen. Als de States hen nu niet aan de voeten vallen, dan is het lot tegen hen gekeerd.

Setlist:
1. Autumn In New York
2. Embraceable You
3. Just Squeeze Me
4. Body And Soul
5. Lush Life
6. Gee Baby, Ain't I Good To You
7. For All We Know
bis:
8. Everyday I Have The Blues
9. Georgia On My Mind


Eerder verschenen op Damusic.be.
Fotoreportage van Hans Vangeel op CuttingEdge.be.

zaterdag 19 juni 2010

Surfer Blood - Astro Coast

Surfer Blood werd vorig jaar gelanceerd door Pitchfork. De blogosfeer volgde en droeg het kwartet uit Florida op handen. Nu debuut ‘Astro Coast’ ook een release krijgt aan deze kant van de oceaan, kunnen we de aanstokers van de hype alleen maar bijtreden. Binnenkort staat Surfer Blood op Pukkelpop. Lees hier alvast de kroniek van een aangekondigde triomf.

Het tropische klimaat in West Palm Beach laat zijn sporen na in de broeierige sound van Surfer Blood. Het is echter geen surferbloed dat door de aderen van de bandleden stroomt. Aan de haaienhoes leiden we af dat ze liever surferbloed zien vloeien. Toch wisten spilfiguur John Paul Pitts en de zijnen het surfjuk niet van zich af te schudden. Maar goed, toen de Beach Boys zongen van Surfin’ USA was drummer Dennis Wilson ook de enige echte surfer in het gezelschap.

Surfer Blood past in de stroming nieuwe Amerikaanse bands met een voorliefde voor een zonnige sound, gekruid met noise, lo-fi en shoegaze. Denk daarbij aan Wavves en The Pains Of Being Pure At Heart. Wat Surfer Blood echter van die bands onderscheidt, is het voorgevoel dat de band in staat is een heel nieuw gezicht te laten zien op een (eventueel) tweede album.

Je merkt het aan de kleine details. Pitt producete de plaat niet alleen eigenhandig, hij schreef ook zelf een aantal bescheiden strijkersarrangementen die een song als Fast Jabroni doen aanschurken tegen barokke popmuziek. En dat is nu net iets waar dezer dagen ook opnieuw mee te scoren valt.

De fluwelen stem van Pitt en een heerlijk knapperige gitaarsound vormen steevast de basis. Maar de variatie die Surfer Blood in zijn songs legt is even verbluffend als veelbelovend. Leverden The Shins de inspiratie voor Floating Vibes, dan is Swim meteen helemaal anders: gedrenkt in reverb, met een riff van voorhistorische proporties en een knipoog naar de afropop van Vampire Weekend.

Het waarom van de buzz

Pophooks schudden de mannen van Surfer Blood blijkbaar zo uit hun mouw. Enkel Neighbour Riffs valt als oppervlakkige instrumental van de surfplank. Met Anchorage, tegen het einde van het album, benadert Surfer Blood de perfectie. De gitaarriffs zijn even simpel als geniaal, de drums blijven zes minuten lang onverstoord doorbeuken en Pitt vertelt ondertussen een indringend verhaal over de subarctische stad uit de titel.

“I just want volcanoes to erupt and thaw me out”, zingt Pitt. Zijn verlangen is inmiddels werkelijkheid geworden. De kwaliteiten van de band laten geen twijfel bestaan rond het waarom van de buzz. Met buitengewone verwachting wordt het uitkijken naar Pukkelpop. En dan maar hopen dat de bandleden hun zelfverklaarde “weakness for cocaine and liquor” voldoende onder controle hebben voor een bevestigend optreden en een meesterlijke tweede album.

Eerder verschenen op Damusic.be

José James & Jef Neve - For All We Know

Talloze jazzmusici brengen op een bepaald moment in hun carrière een ode aan hun voorgangers met een album vol jazzstandards. Voor pianist Keith Jarret – bijgestaan door drummer Jack DeJohnette en bassist Gary Peacock – werd het eren van de ouden zelfs een levenslang project. Op ‘For All We Know’ gaan nu ook José James en Jef Neve de dialoog aan met traditie.

Neve en James vonden elkaar enkele jaren geleden. James promootte ‘The Dreamer’ en Neve nodigde hem uit in zijn programma op Klara. Neve had zijn status als lieveling van de Belgische jazz al meermaals bevestigd en James gold als dé vernieuwer van de vocale jazz. Hun wederzijdse bewondering resulteerde in een legendarisch optreden in de AB. Toch situeer je beiden muzikaal niet helemaal in hetzelfde vakje. Op ‘For All We Know’ zijn de soulmates echter meer dan ooit jazzpartners.

Voor wie ze nog niet kent: James zingt en Neve speelt piano. En dat is exact wat ze doen op ‘For All We Know’. Andere muzikanten, noch instrumenten komen eraan te pas. De duoplaat kabbelt traag en sierlijk voorbij. De laatavondjazz heeft weinig van het grensverleggende dat de soloplaten van Neve en James kenmerkt. Maar de interpretaties zijn superieur en vangen de geest van van die ene dag in november 2008 waarop ze allemaal - uitgezonderd één nummer - werden opgenomen.

Een glansrol is daarbij weggelegd voor Jef Neve. Niet dat er iets valt aan te merken op James’ zangprestaties; zijn zachte baritonstem pakt je helemaal in, vooral tijdens de indrukwekkende intro van Body And Soul. James weet zijn stem perfect te doseren en haalt enkel uit als de tijd daarvoor rijp is, zoals op het einde van Embraceable You.

De twee vormen dus een gouden tandem, maar zoals gezegd is het toch vooral Neve die de plaat spannend houdt. Zijn spel vermijdt in een vloeiende beweging alle clichés. In Tenderly toont hij zich een extreem eloquent improvisator wanneer hij wisselt tussen lichte symfonische bombast en weerspannige jazz. Op Embraceable You legt hij een solo neer die zo hoekig klinkt als een kubus die van een trap rolt en op het einde van Body And Soul imiteert hij een muziekdoos die dringend opgedraaid moet worden.

De groten achterna

De composities op ‘For All We Know’ komen uit het jazz- en het lichtere populaire repertoire, maar krijgen van Neve en James onmiskenbaar een jazzbehandeling. Eerdere uitvoerders zijn jazzgrootheden als Herbie Hancock, Ella Fitzgerald, Cassandra Wilson, Django Reinhardt en Chick Corea, maar ook Céline Dion en Rick Astley (in het geval van When I Fall In Love).

‘For All You Know’ verschijnt op het prestigieuze jazzlabel Impulse en misstaat allerminst tussen ronkende namen als Coltrane en Mingus. Een kleine kanttekening: Duke Ellington-compositie Just Squeeze Me valt door zijn lichtvoetigheid wat uit de toon. Maar verder kunnen we alleen maar aanraden dit album in huis te halen en te wachten tot de avond valt en de wijn op kamertemperatuur is.

Eerder verschenen op Damusic.be

The Futureheads - The Chaos

Geen mens die weet wat voor supplementen ze in het Engelse plaatsje Sunderland in het leidingwater gooien, maar feit is dat de lokale bands er symptomen van een verhoogde popgevoeligheid vertonen. Of het moet in de genen zitten, want via de broers Brewis behoren bands als Field Music, School of Language en The Futureheads tot één en dezelfde stamboom. The Futureheads zijn in dat geval het vervelende joch, dat met zijn melodieuze punk de geraffineerde pop van zijn broertjes overstemt. Met ‘The Chaos’ leveren ze voor de vierde keer op rij een solide plaat af.

De bronstige manier waarop zanger Barry Hyde aftelt voor openingsnummer The Chaos – “Five, four, three, two, one! Let’s go!” – doet meteen vermoeden dat je te maken hebt met een old school hardcoreplaat. De waarheid komt later pas aan het licht. Het aftellen wordt een motief doorheen het titelnummer. Bovendien heb je snel door dat Queen een even grote invloed is als pakweg The Clash of XTC.

Het refrein van Struck Dumb herinnert dan weer aan Electric Light Orchestra en is ook qua tekst niet helemaal onaantrekkelijk: “The negativity is ruining your sleep / It makes you wanna cry on your pillow.” Met Heartbreak Song begeven The Futureheads zich zelfs richting stadionrock. Misschien niet toevallig dat er een stukje Springsteen werd gestolen. Het orkestrale middendeel van Born To Run werd even geniaal als scharnierloos geïntegreerd. The Futureheads weten zichzelf bizar genoeg te relativeren door naar het verleden te kijken.

Een vrij stevige en constante drumbeat is het middel dat elk afzonderlijk nummer samenhoudt. Binnen dat uptempo kader is er echter veel mogelijk. Ondanks de koortjes en de fijnzinnige details heb je toch niet het gevoel dat de muziek bijster experimenteel is. De punkvibe blijft overheersen en ‘The Chaos’ ligt veertig minuten lang goed in het gehoor.

I Can Do That is een van de weinige nummers dat niet de melodische schwung van de overige songs heeft en ook qua structuur wat geforceerd overkomt. Dart At The Map is op zijn beurt wat aan de eentonige kant. Beide nummers zorgen ervoor dat de tweede helft van de plaat het moet afleggen tegen de eerste. Echt evenwichtig is het album dus niet. Maar ‘The Chaos’ – perfecte titel dus – heeft genoeg in huis om te blijven boeien.

Uit de schaduw van Franz Ferdinand

The Connector bijvoorbeeld, ook al zou je de band hier verwarren met Future Of The Left. Door hun mix van operastemmen, humor en een hels tempo klinken The Futureheads echter ook als Sparks in punkmodus. Het zal dan ook niet verbazen dat Cardiacs – de band die cultstatus verwierf met een schijnbaar onverzoenbare mengeling van punk en prog – een ander voornaam referentiepunt is.

Eindigen doen The Futureheads even groots als ze begonnen. Het nummer Jupiter is goeddeels opgetrokken uit a-capella-passages. Dat zien we Bloc Party nog niet gauw doen. The Futureheads werden in hun vroege dagen immers in een vakje geduwd met Bloc Party en Franz Ferdinand. 'The Choas' is verre van perfect, maar de band bewijst wel niet in de schaduw te moeten staan van haar tijdgenoten. 'The Chaos' valt trouwens op om het aanstekelijke plezier dat de band hoorbaar had bij het maken van deze plaat. En zoals steeds is de helft van het succes daarmee al bereikt.

Eerder verschenen op Damusic.be

Landfill - Landfill

Naast fantastisch bier en kaas die daar perfect bij past, heeft Grimbergen er een derde exportproduct bij, dat luistert naar de naam Landfill. Met haar titelloze debuut en een single in de Afrekening (Antidote) trekt de vijfkoppige indiegroep stevig in het offensief. We horen daarbij een gedreven, jeugdige band die niet helemaal het onderste uit de kan haalt, maar niettemin een fijne eerste plaat aflevert.

Landfill duikt natuurlijk niet uit het niets op. Aan 'Landfill' gingen twee ep's vooraf en enkele deelnames aan 's lands rockconcoursen. Het is een klassiek parcours, maar Landfill legde het af met bovengemiddeld succes. De band wist daarop producer Bart Delacourt (Monza, Arid) te strikken, met 'Landfill' als welklinkend resultaat.

Met Gentlemen maken de Grimbergse vijf meteen een erg zelfzekere indruk, niet het minst omdat ze erin slagen om rond een koppig, letterlijk eentonig gitaarmotief toch een aardige song te bouwen. Maarten Michils levert een indrukwekkende prestatie achter de microfoon en de bescheiden synths tonen dat de keuze voor Delacourt de band geen windeieren heeft gelegd.

Met Kite daalt het tempo, maar niet de kwaliteit. Synths en een zachte drumsound zorgen voor atmosferische momenten in een nummer waarvoor Absynthe Minded wellicht model stond. Degelijk, zij het iets minder opvallend, is Chromatic. De song werkt toe naar een verrassende plotwending, die echter nog wat schaafwerk had kunnen gebruiken.

Ook Moses, gedreven door enthousiast geroffel, bloeit mooi open, maar met het doordeweekse Tug-O-War belandt Landfill in een dipje. Gelukkig wordt er snel revanche genomen met de licht bruisende indiepop van Antidote. Low behoort op muzikaal vlak tot het verrassendste wat de plaat te bieden heeft. De gezongen coda had wat ons betreft gerust nog wat gerekt mogen worden.

Een groter publiek

Nóg beter geslaagd is het meeslepende Ends. Daarna lonkt een tweede dal. In Ghosts staat de klevere drumpartij van de strofe haaks op het eerder banale refrein en Tristo is een stukje geluidsbricolage dat vooral op het einde van de jaren zestig revolutionair was. Die laatste track werkt dan ook best als intro voor Demons, een vrij geslaagde eindspurt.

Het refrein van Demons vertoont trouwens lichte verwantschap met het openingsnummer van de plaat, Gentlemen. Dat maakt 'Landfill' tot een mooi afgerond geheel. De samenhang wordt nog eens versterkt door het claustrofobische Sky Is Clear, waarin - net als in Gentlemen - één herhaalde gitaarnoot de leidraad vormt voor een heel nummer.

De nummers op 'Landfill' zijn gevarieerd genoeg om de plaat tot de laatste snik spannend te houden. Voor een debuutalbum zeker geen loze verdienste. Landfill kan bovendien rekenen op doorgaans goed songmateriaal. Wij gokken dat ze daarmee in de toekomst ook een groter publiek kunnen aanboren. Ondertussen mag Landfill nog even verder gisten en rijpen. Maar geen nood, in Grimbergen weet men daar wel raad mee.

Eerder verschenen op Damusic.be

zondag 13 juni 2010

Rowland S. Howard - Pop Crimes

Hij werd een leven lang nagezeten door culthit Shivers. Hij legde een eigenzinnig parcours af als rusteloze muzikale nomade en werd uiteindelijk geveld door leverkanker (op 30 december 2009). Dat is het relaas van Rowland S. Howards opgemerkte passage in ons aardse tranendal. Veel valt af te lezen van Howards blik op de hoes van ‘Pop Crimes’, zijn zwanenzang. Bij ons verschijnt de plaat postuum. De jacht op dubbele bodems is bij deze geopend.

En daar is helemaal niks mis mee. De titel ‘Pop Crimes’ wakkert de speculatie al aan voor we ook maar één noot muziek gehoord hebben. Ver hoeft men niet te zoeken naar de betekenis. Howards carrière is min of meer opgetrokken uit een reeks misdaden tegen de popmuziek. Met een gitaarstijl zo grillig en scherp als een cirkelzaag stond hij in The Birthday Party aan de zijde van een piepjonge Nick Cave. Howard werd op slag een gitaargod van de latente soort.

‘Pop Crimes’ zet een onverwoestbaar beeld neer van een man die zich niet zomaar laat kisten. Howards diepe stem klinkt doorleefd en hoewel zijn gitaarlijnen eerder beheerst zijn, gaat er een intense spanning van uit. Feedback regeert op de achtergrond van de logge ritmes. Subliem voorbeeld: de cover van Talk Talk’s Life’s What You Make It: de Tom Waitsachtige dynamiek laat enkel de originele zangpartij overeind en maakt het geheel macaberder dan het ooit was.

Met Nothin’ waagt Howard zich aan een song van Townes Van Zandt. De regels “And if you see my friends / Tell them I’m fine” klinken alsof Howard al vrede heeft genomen met zijn lot. Zijn laatste woorden zitten vervat in het einde van het nummer: “Sorrow and solitude / These are the precious things / And the only words / That are worth rememberin’”.

Dwarsligger

De boodschap van Wayward Man lijkt evenmin uit de lucht gegrepen: “I’m the fly in the ointment / Your constant disappointment / Just because I can / I’m you wayward man.” Howard schetst zichzelf als onverbeterlijk dwarsligger. In de woorden klinkt de stem door van een man die terugblikt op een turbulent leven op zowel muzikaal als persoonlijk vlak.

Onaards mooi en oprecht is ook de getoonzette liefdespoëzie van Avé Maria. Howard slaagt erin melancholie te neutraliseren met hoop. De song bouwt sierlijk op, al zat er nog net iets meer in. Op de fysieke kant van de liefde wordt dan weer gealludeerd in openingsnummer (I Know) A Girl Called Jonny, dat moeiteloos zijn erotisch geladen werk met Lydia Lunch voor de geest roept.

Je moet er voor zijn, voor de kille, akelige sfeer die rond ‘Pop Crimes’ hangt. Maar eens je je laat meedrijven en je de achtergrond ervan kent, is het een album dat zich in vele facetten laat appreciëren. De graatmagere Howard was een doorbijter. Zelfs toen hij tijdens zijn laatste optreden bloed ophoestte, ging hij nog verder. Met zijn laatste kracht klampte Howard zich vast aan de toekomst. ‘Pop Crimes’ is een even schitterend als tijdloos afscheid.

Eerder verschenen op Damusic.be

zondag 6 juni 2010

Flying Lotus - Cosmogramma

Dé elektronische verrassing komt dit jaar van Flying Lotus. Met zijn derde album ‘Cosmogramma’ bezorgt de amper 26-jarige Steve Ellison een fantastische, tegendraadse luistertrip. “I want to just make my shit the most musical shit ever”, liet hij onlangs tijdens een interview vallen. Geestig en gewaagd tegelijk, want het zal niet lang duren voor Ellison zich moet laten escorteren door de massa volk die voor zijn toiletdeur heeft postgevat.

Je leest de titel en je denkt: “Cosmogramma, dat móet wel iets groots zijn. Een opera? Een symfonie? Een meerledige suite in d-groot voor sopraan, klavecimbel en altviool?” Dat is het allemaal niet. Het is wel een zeventiendelige compositie voor samplers, laptops en live instrumenten. Flying Lotus gaat trouwens niet licht over het conceptuele aspect van zijn werk. En je hoeft bijgevolg geen expert te zijn om vast te stellen dat zijn “shit” een opvallende vastheid en cohesie vertoont.

Na de eerste maffe maten van Clock Catcher besef je al dat Ellison brein anders werkt dan dat van de meeste stervelingen. Als hersenen echt zo groot zouden zijn als hun capaciteit, dan zou Ellison zijn hiphoppetten via een gespecialiseerde internetwinkel moeten bestellen. Ellison denkt assymetrisch, abstract, filosofisch en totaal outside the box. Niet voor niets is ‘Cosmogramma’een uiterst eigenzinnig amalgaam.

De impact van de plaat doet denken aan die van DJ Shadows ‘Entroducing’. Hoewel Flying Lotus’ sound donkerder is en minder verankerd in de hiphoptraditie, sta je net als bij DJ Shadow versteld van die verbluffende stijlmix. Flying Lotus levert voer voor progressieve musicologen door alles te gebruiken wat zijn pad kruist: free jazz, klassieke discoarrangementen, dubstep, drum ‘n’ bass,... het is onmogelijk exhaustief te zijn.

Out-of-body-ervaring

De occasionele vocals – in ...And The World Laughs With You horen we Thom Yorke – zorgen op uitgekiende plaatsen voor rust tussen al het instrumentale geweld. Mmmhmm klinkt met zijn scat vocals alsof Baloo, de beer uit Jungle Book, de studio intrekt met een strijkkwartet om er een eigentijdse versie van acidjazz op te nemen. De song bloeit helemaal open tot een Jaga Jazzist-achtige compositie. Niet toevallig speelde Flying Lotus onlangs het voorprogramma van het Noorse collectief.

Voor je het weet wordt ‘Cosmogramma’ een heel nieuw melkwegstelsel en neemt Flying Lotus je mee - laverend tussen flitsende Nintendo-bleeps, zwalpende synths en afgemeten strijkerspartijen - door glitterende wolken van kosmosgruis. Een snelle polkabeat, Braziliaans carnaval, Squarepusher-bassen, synths uit Queens ‘Flash Gordon’-soundtrack, harpen, saxofoons en pingpongsamples. Het zit er allemaal geniaal in verwerkt.

Ellison komt natuurlijk uit een muzikale familie. Alice Coltrane – vrouw van – was zijn tante. De spirituele ervaring van het muziek maken kreeg hij dus van kindsbeen af mee. Neem daar nog een goeie tien jaar van out-of-body-ervaringen en psychedelische kicks bij en je hoeft niet te zoeken naar een verdere verklaring. ‘Cosmogramma’ is niet van deze wereld, zoveel is duidelijk.

Eerder verschenen op Damusic.be.

zaterdag 22 mei 2010

Justin Currie - The Great War

Nog nooit van Justin Currie gehoord? Troost u, wij evenmin. En ook Del Amitri, de Schotse poprockband waarmee Currie twintig jaar lang furore maakte, kan in onze contreien bezwaarlijk relevant genoemd worden. En toch is frontman Currie intussen wel al toe aan zijn tweede soloplaat. Maar ook met ‘The Great War’ zal hij niet uit de anonimiteit kunnen treden.

Wie vandaag het komen en gaan van de popgolven nauwlettend observeert en mee is met het nieuwste werk van pakweg Animal Collective, Gorillaz en These New Puritans, zal meteen merken hoe anachronistisch Curries muziek wel is. Niemand zit anno 2010 nog te wachten op deze modale, in opgeklopte emoties gedrenkte poprock

Ambachtelijk gefabriceerd, dat is ‘The Great War’ zeker wel. Maar daar schuilt nu net het probleem. Bij Currie staat ambacht voor routine. Niet dat hij zijn nieuwe songs botweg op plaat gekwakt heeft – eerder het tegendeel is waar – maar het zijn toch vooral adjectieven als 'fantasieloos', 'voorspelbaar' en 'matig' die ons tijdens ‘The Great War’ te binnen schieten

Curries stem heeft wat weg van de lichte rasp van Marc “Walking In Memphis” Cohn. En bij momenten hoor je ook James Blunt of Lenny Kravitz voorbijwaaien. Om maar te benadrukken dat de Schotse singer-songwriter ook vocaal gezien netjes binnen de lijntjes kleurt.

Dan stel je je bij een titel als ‘The Great War’ toch heel wat anders voor. Was de Eerste Wereldoorlog half zo klef en zeemzoeterig geweest als wat Currie op zijn tweede worp neerzet, dan zou 11 november nu geen nationale feestdag zijn. Niemand heeft schrik van Curries pluchen munitie.

Draak

Tekstueel gezien is het dan ook meermaals tenenkrullen geblazen. In het openingsnummer doet Currie – zelfverklaard atheïst – meteen God en de duivel opdraven en beklaagt hij zichzelf als een Man With Nothing To Do. Pianoballad You’ll Always Walk Alone is ook nauwelijks te harden. Je moet al diep de mythologie induiken om zo’n draak tegen het lijf te lopen

Nog erger wordt het met The Fight To Be Human. Wie de titel al niet weerzinwekkend vindt, kan zich nog altijd overleveren aan de acht minuten durende kwelling en gegeseld worden door schaamteloos voorgedragen regels zoals “I hate the world they gave me”.

En zo gaat het maar door. Het rijke instrumentarium en de occasionele verrassende gitaarsolo werken nergens helend, ‘The Great War’ gaat roemloos ten onder en Justin Currie toont zich behalve een “man zonder iets om handen” ook een “man met weinig te bieden”. For fans only!

Eerder verschenen op Damusic.be.

maandag 10 mei 2010

We Have Band - WHB

Op een dag maken de leden van We Have Band een autoritje, hun pas afgewerkte debuutplaat ‘WHB’ in de cd-speler. Na afloop kijken de drie elkaar uitgelaten aan: “Yeah, we did it, we actually made a really great album.” We hadden toen erg graag in de kofferbak gezeten om de band toe te roepen dat hun eersteling inderdaad een fantastische plaat is.

Eerste referentiepunt: New Order, Depeche Mode en hun generatiegenoten. Maar maak van We Have Band vooral geen kille eightees revivalband. Hun onwaarschijnlijk rijke sound recycleert evengoed de fuzzy gitaren uit de sixties, de synthexperimenten van Cluster en Eno en de voornaamste trends van de hedendaagse indie/dancescene. Het geheel klinkt erg Brits, erg eigenzinnig en voorzichtig geniaal.

De volle sound maakt dat We Have Band niet alleen goed gedijt op de dansvloer. Door haar fijnzinnige details is de plaat ook ideaal voer voor veeleisende hoofdtelefoons. We Have Band heeft dan ook veel meer te bieden dan enkel een portfolio met wat ruwe schetsen. De twaalf songs zijn helemaal af en onderling verschillend en sterk genoeg om van de allereerste plaat meteen een bescheiden meesterwerk te maken.

Met zekerheid kunnen we ook schrijven dat ‘WHB’ niet zomaar een toevalstreffer is. Het getuigt van visie dat het eerste wapenfeit van het album je meteen op het verkeerde been zet. Piano is zowaar een trage Elbow-achtige smaakmaker met meerstemmige zang en een dartele piano tegen een orchestrale fond.

Topdebuut

Maar ontbindt de band dan al zijn demonen in Buffet, het tweede nummer van de plaat? Nee hoor, er wordt rustig experimenterend verder gebouwd met een gitaarlijn die een slang zo uit haar mand doet dansen. Pas met Divisive, een sterk staaltje indiedance, geeft de band zich over. Opzwepende vocals en een frivole bas introduceren een groove die de band niet meer loslaat. Het warmbloedige refrein van Love, What You Doing levert daarop een eerste hoogtepunt.

Maar uitblinken doen alle nummers. Zonder uitzondering. Honeytrap laat zich best omschrijven als een fictieve studiosessie van José James, de ritmesectie van Moloko en de gitarist van The Rapture. En zo belandt het gezelschap – het echtpaar DeDe en Thomas en vriend aan huis Darren – erg vlot bij een eigen versie van punkfunk op Hear It In The Cans.

Ook Centrefolds & Empty Screens is ronduit innemend. Het door DeDe gezongen You Came Out gaat opnieuw de funky toer op en WHB mag dan wel een variatie zijn op You Came Out, een flauwe doorstart is het allesbehalve. We Have Band gaat bovendien erg inventief om met drieledige, in elkaar geweven zangpartijen, slechts een van de sterktes van de band. Zonder aarzelen: ‘WHB’ is één van de absolute debuutalbums van het jaar.


zaterdag 1 mei 2010

White Light Parade - House of Commons

De Britse politiek is dezer dagen weer controversieel. Na jaren van Bush-bashing is het nu de beurt aan Blair en Brown. Polanski raakte het thema al subtiel aan in zijn recentste film ‘The Ghost Writer’. Maar voor directe aanvallen, straatrellen en anti-establishment-slogans moet je bij White Light Parade zijn. Debuut ‘House Of Commons’ ademt de sfeer van de oude punk, maar schiet te vaak tekort om de woede van 1977 te doen herleven.

Het uitgangspunt is dan ook niet meteen aantrekkelijk. Waarom een genre nieuw leven inblazen dat na een kleine drie jaar al zijn beste kruit verschoten had? White Light Parade stelt zich vragen bij bepaalde wantoestanden, maar is de wat naïeve rebellie van de vroege punk daartoe wel het beste middel? De bandleden vonden blijkbaar van wel, en vertaalden hun desillusie in elf songs van gemiddeld drie minuten en drie akkoorden.

Titels als Burn It Down, Riot In The City, We Start Fires en Heroes And Foes werden verpakt in een album dat ‘House Of Commons’ (de Britse Kamer van Volksvertegenwoordigers) werd gedoopt. Op de vaalgrijze hoes prijkt het huis van de eerste minister, maar dan gesitueerd in een smerige, afstandse buurt. Het logo van White Light Parade brandmerkt de woonst niet zonder enige trots. We gaan 33 jaar terug in de tijd, denk je dan.

Gebukt onder het Clash-juk

Welnu, de eerste punkgolf heeft het viertal zeker niet onberoerd gelaten. Maar de bandleden nemen gelukkig de moeite om verder te kijken dan de buttons op hun vesten. Al kijken ze niet veel verder. The Clash is de ontegensprekelijke referentie voor dit debuut, maar White Light Parade slaat af en toe ook een brug tussen de klassieke punk en de opgang makende frenetieke indiepop-anthems van een band als Two Door Cinema Club.

Met Burn It Down begint de plaat dan ook onverwacht fris. Niet dat de plaat grenzen verlegt - verre van. Maar de pure, op traditionele leest geschoeide punk die we verwacht hadden, wordt in een aantal songs toch van een hedendaagse tint voorzien. Wake-Up, Wait For The Weekend en Young Believers zijn zelfs eerder popsongs met een vleugje punk dan omgekeerd. En Shotgun mengt een punkvibe met een modale rockstructuur, al kan een gemeende “Oi!” niet bedwongen worden.

Terwijl Riot In The City een eresaluut is aan het titelloze debuut van The Clash, verraden de korte reggae-achtige passages op andere songs eerder de invloed van The Clash ten tijde van ‘London Calling’. Al te stereotiepe punksongs als We Start Fires en Surrender zijn dan weer ronduit banaal en overbodig.

Door de overduidelijke adoratie voor annus domini 1977 blijft White Light Parade een buitenbeentje in het hedendaagse landschap. De band gaat nog te zeer gebukt onder het Clash-juk, en de eigen inbreng valt al bij al wat mager uit. ‘House Of Commons’ is een goede poging, maar slechts zelden meer dan dat

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/white-light-parade/house-of-commons

Ef - Mourning Golden Morning

“Postrock is not dead, it just smells funny.” Frank Zappa had het natuurlijk over jazz, maar de Zweedse band Ef bewijst met ‘Mourning Golden Morning’ dat het aforisme ook perfect op postrock van toepassing is. Al jaren wordt het genre slaafs gediend en hoewel de groep er andere bedoelingen mee had, ontsnapt ook zij niet aan de verlammende formule.

De postrockbands van deze wereld vullen namelijk nog steeds meer dan één Rue des Bouchers. Het zijn doorgaans koks die naar dezelfde school zijn geweest en dezelfde recepten koken. Hier en daar voorzichtig experimenteren met ingrediënten komt ook wel eens voor. Maar een grotere vrijheid neemt ook de Zweedse groep op zijn derde plaat niet.

Ze willen met hun nieuwe plaat bewijzen dat niet alle postrock hetzelfde klinkt, maar daar slaagt het Zweedse drietal niet in. En zo zijn we al één illusie armer. Ef brengt postrock volgens het boekje en een groter compliment dan dat krijgen we echt niet uit onze pen geperst.

Postrock op voorschrift

Probeert de band dan toch het klassieke patroon van atmosferische passages en crescendo’s te doorbreken, schiet de groep tekort qua inventiviteit. Op Son of Ghosts wisselen de twee kernelementen gewoon van plaats. De voorspelbare climax blijft op die manier geen kwartier uit. Dat is een voordeel. Maar als de song na enkele maten dan toch in achterhaalde procédés vervalt, beseffen we dat we te vroeg hebben gejuicht.

De zeven songs op ‘Mourning Golden Morning’ zijn dan ook grotendeels opgetrokken uit jachtige roffels (zoals ooit geperfectioneerd door Godspeed! You Black Emperor) en desolate gitaarlijntjes (waarmee Explosions In The Sky de massa vreemd genoeg heeft kunnen verleiden). Enkel Escapade I en Fyra duiken onder de kaap van de vijf minuten, maar het gaat dan ook om een ouverture en een nietig tussendoortje.

Toch lijkt de band halverwege de plaat een tandje bij te steken. Zo is Longing For Colors een duet dat zijn karakter mede ontleent aan de elfachtige stem van gastzangers Rebecka Maria Wahlgren. Maar de lange instrumentale passages lijken ook hier even verplicht als overbodig. Gooi vier van de negen minuten weg en je hebt een nummer van massief brons, voor goud zal er nog net iets meer nodig zijn

Aan een echte beeldenstorm waagt het Zweedse drietal zich dus niet, zelfs niet onder leiding van postmetalhead Magnus Lindberg (Cult of Luna). De drang om te variëren op bestaande thema’s is er zeker, maar in de praktijk slaan ze nog te vaak de weg in van clichés. Voor wie anno 2010 nog op zoek is naar nieuwe, spannende muziek, brengt deze plaat weinig zoden aan de dijk.

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/ef/mourning-black-morning

zondag 18 april 2010

Serena Maneesh - No. 2: Abyss In B Minor

Neoshoegazers Serena Maneesh zijn met ‘No. 2: Abyss In B Minor’ nog maar aan hun tweede album toe. Oasis, Nine Inch Nails en The Dandy Warhols namen de band mee op sleeptouw en hun debuutplaat kon rekenen op lovende recensies. De Noorse vijfmansformatie heeft dan misschien niet meer bijster veel te bewijzen, toch komt ze nu met een fijnzinnig meesterwerkje op de proppen.

‘Abyss In B Minor’ werkt in de eerste plaats als album. Er is een soort van natuurlijke rode draad die alle nummers, hoe onderling verschillend ook, aaneenrijgt. Zo keert het noisestukje op het einde van de eerste song Ayisha Abyss terug op het einde van I Just Want To See Your Face en neemt de dwarsfluit die op D.I.W.S.W.T.T.D. al stil sluimert, helemaal de overhand in Magdalena (Symphony #8).

Er is trouwens geen passender woord dan verbluffend om te omschrijven hoe de tweede telg van het Noorse geslacht in elkaar werd gemixt. Verantwoordelijk daarvoor is René Tinner, een oudgediende uit de entourage van de invloedrijke band Can. Tinner spendeerde acht dagen aan elk van de acht nummers. Zijn beeldrijke resultaten evolueren van naargeestige trips (Honey Jinx) tot dromerige strandscènes (Melody For Jaana).

Tot die eerste categorie behoort zeker ook opener Ayisha Abyss, waarin het beeld wordt opgeroepen van een man die veel verder van de wereld is dan goed voor hem is en die al wauwelend en slenterend de muren aftast op zoek naar enige steun.

Op het door doffe drums voortgestuwde I Just Want To See Your Face is voor het eerst op deze plaat Hilma Nikolaisen te horen, die met haar hemels luchtige stem tussen de constant opvlammende vuurtongen van gitaren laveert.

De scheurende gitaren en hevig beukende drums van Reprobate! maken de weg vrij voor het zweverige Melody For Jaana, dat eeuwigheid en melancholie ademt. Op Blow Yr Brains In The Mourning Rain introduceren struikelende drums opnieuw georganiseerde chaos en slotakkoord Magdalena is zowaar een symfonie. Op zeer eigenzinnige wijze weliswaar.

In het spoor van My Bloody Valentine

My Bloody Valentine, nota bene een band waaraan Serena Maneesh zo overholen schatplichtig is, nodigde die laatste band in 2009 uit op All Tomorrow’s Parties. De Noren steken datzelfde My Bloody Valentine nu met ‘Abyss In B Minor’ – een eigenzinnige, hedendaagse kijk op de oorspronkelijke shoegazegolf – naar de kroon.

Serena Maneesh creëert op ‘No. 2: Abyss In B Minor’ een eigen wereld zoals we er nauwelijks nog een exploreerden sinds Apse enkele jaren geleden zijn ‘Spirit’ op het mensdom afvuurde. Frontman Emil Nikolaisen omschrijft de nieuwe plaat dan ook treffend als een “rock ‘n’ roll chamber of magic”. Zijn band heeft er het onwaarschijnlijke toch mee gerealiseerd: het eigen gelauwerde debuut overschaduwen.

zondag 11 april 2010

Karnivool - Sound Awake

Sinds de release, bijna een jaar geleden, heeft ‘Sound Awake’, het tweede album van het Australische Karnivool, heel wat stof – of beter lof – doen opwaaien Down Under. Nu de plaat ook bij ons te koop is, is de tijd rijp voor een nieuwe evaluatie.

Laat ons maar meteen beginnen met te zeggen dat ‘Sound Awake’ zeker op muzikaal vlak een merkwaardig werkstuk is. Het is daarentegen geen plaat die zich als een zakdoek laat opvouwen en opbergen. Wie Karnivools tweede ten volle wil appreciëren, moet beseffen dat hij het niet zomaar in de schoot geworpen krijgt.

Met zijn 72 minuten is ‘Sound Awake’ gewoonweg veel te groot om in één keer door te slikken. Karnivools progmetal staat bol van geleerde wendingen, monsterriffs en complexe maatsoorten. De songkwaliteit blijft op enkele uitzonderingen na constant.

Maar aan ieders aandachtsspanne zijn grenzen en daarom is ‘Sound Awake’ zeker niet meer dan de som van de delen. De kans is bovendien erg klein dat je überhaupt toekomt aan het maken van die som. Zelfs Stephen Hawking zou daar moeite mee hebben.

Karnivool injecteert zijn metalsound met een flinke scheut hardcore, vooral te horen in de zanglijnen van Ian Kenny. Bij momenten ruikt het allemaal wat te zeer naar emo en had je bij een bepaalde riff liever een andere vocale stijl gehoord. Het straffe New Day, bijvoorbeeld, loopt om die reden enkele deuken op.

Mensen die houden van veel tekst hebben aan ‘Sound Awake’ trouwens een vette kluif, maar niet iedereen zal de vage profetieën van Karnivool naar waarde weten te schatten. Wijzelf niet in het minst. En toch laat de plaat een eerder positieve indruk na. Memorabele passages zijn legio, het productiewerk getuigt van groot vakmanschap en de bandleden laten techniek nergens primeren op melodie en dynamiek.

Xylofoon en didgeridoo

Zonder afbreuk te doen aan de kwaliteiten van de band, trekken we voor Karnivool dan ook graag een blik met ronkende referenties open. Je hoort de hermetische sound van Tool naast de toegankelijke metalwerelden van Porcupine Tree en Katatonia. En voor extra spitse oren zijn er zelfs knipoogjes naar At The Drive-In en de melodieuzere kant van The Dillinger Escape Plan.

Maar tegelijk merk je ook dat Karnivool werkt aan een eigen grammatica. De xylofoon die Simple Boy op gang trekt is zo’n heel eigen trekje. De frisse, ritmische accenten van The Caudal Lure verrassen evenzeer en de didgeridoo op Change is een eresaluut aan Karnivools heimat, al is de term rootsrock uiteraard niet van toepassing hier.

De internationale release van de ‘Sound Awake’ is niet onopgemerkt voorbij gegaan. Ook al laat de plaat vooral een band horen die het toppunt van zijn kunnen nog niet helemaal heeft bereikt, toch wurmt Karnivool er zich als grote speler mee in het “genre”. Nu nog wachten tot de band een genre voor zichzelf weet te creëren.


donderdag 8 april 2010

Zwarte magie

Jose James, 'Blackmagic', AB Box, Brussel, woensdag 24 maart 2010
Band intro
Code
Save Your Love For Me
Detroit Loveletter
Blackmagic
?
Love Conversation
Lay You Down
Warrior
Made For Love
Moaning

Na een inlooptijd van slechts een paar jaar is Jose James gepromoveerd van kroonprins tot koning van de vocale jazz. Of wat kunnen we anders besluiten na zijn recentste krachttoer in de Brusselse AB? Alsof hij zijn zopas verworven functie wilde vieren, pakte James de AB Box helemaal in. Jazeker, met een grote strik.

Afgaande op zijn nieuwste plaat 'Blackmagic' hadden we nochtans niet verwacht dat het zo'n vaart zou lopen. Debuut 'The Dreamer' was een album met één karakteristiek geluid: ultravlotte pianojazz met James' bariton als kers op de taart. Op 'Blackmagic' lijkt het eerder alsof James zichzelf heeft zitten klonen en aan elk van die klonen een ander genre toewees: van neosoul tot dubstep, maar met verrassend weinig jazz deze keer.

Over 'The Dreamer' werd met geen woord gerept in de AB. 'Blackmagic' kwam daarentegen bijna integraal aan bod, maar dan wel met de aloude, soepele groepsinteractie van het debuut, die bijna elk nummer een niveau of twee hoger wist te tillen.

Wie alleen de Jose James van 'Blackmagic' kende, kreeg dan ook een flinke portie jazz in de maag gesplitst. De flitsende intro van James' trio gaf dat meteen aan. Daarna verscheen James op het podium, begeleid door de zoete tonen van een Fender Rhodesklavier. Met Code deelde hij een eerste uppercut uit.

Het duurde niet lang voor de New Yorkse zanger zich aan zijn eerste improvisatie waagde. Zo beheerst als hij zijn lijnen zong, zo zong hij zichzelf in trance met virtuoze, repetitieve scats. Tijdens Save Your Love For Me bijvoorbeeld.

Jordana de Loveley stond de frontman bij, nu eens met backing vocals, dan weer als partner tijdens een duet. Met de mimiek van een operazangeres en de uitstraling van een fifties icoon, was ze een ideaal tegenwicht voor James' romantische machogedrag. Love Conversation had zijn naam dan ook niet gestolen. En ook James merkte dat op: "I saw some lovers getting close on that one."

Een stem als een tenorsax

Het respect vanuit de zaal bleek grenzeloos; voor James en de Loveley maar zeker ook voor de sympathieke driekoppige band, die geen steek liet vallen. De magie op hoogtepunt Warrior, vrij naar dubsteppionier Benga, zou er met een andere band waarschijnlijk niet geweest zijn.

Van latenightjazz tot instrumentale hiphop en van fenomenale drumsolo's en tegendraadse pianoakkoorden tot expressieve breaks en verrassende harmonische wendingen, op de bühne kwam 'Blackmagic' pas echt tot leven.

De als een tenorsax resonerende stem van Jose James blijft nog dagen naklinken ergens ter hoogte van de trommelvliezen. Een kwaaltje waarvoor we deze keer niet naar de dokter lopen. Voor zover wij weten staat de medische wereld wat het fenomeen betovering betreft nog altijd voor een raadsel.

donderdag 18 maart 2010

Men Among Animals - Run Ego

Men Among Animals is een prettig gestoord kwintet uit Denemarken. Dergelijke groepen – denk ook aan Bonaparte – zijn vaak beruchter vanwege hun knotsgekke optredens dan omwille van hun albums en dat is bij Men Among Animals niet anders. Bij ‘Run Ego’ heb je dan ook het gevoel dat er ergens in de verte een feestje aan de gang is, maar op plaat slaat de vonk nergens over.

Wat meteen opvalt is nochtans de eigenzinnige sound van het Deense gezelschap. Helaas zijn de songs niet van hetzelfde niveau. Na het futuristische lawaai van Ceremonial Seating, barst Menth Reloaded in alle hevigheid los met drums en koebellen. De song weet echter de val van het repetitieve niet te ontwijken en al snel wordt onze aandacht door interessantere dingen afgeleid.

Het aan XTC refererende Sunset And Titan, een meezinger met verfrissende gitaren, is nog wel genietbaar. Het door synthpop gedomineerde White raakt daarentegen moeilijker van de grond en wordt nodeloos lang gerokken. Een pluim verdient de band dan weer voor de variatie die ze in de songs leggen.

Akkoord, pareltjes van songs zijn hier niet te vinden, maar de band vat zijn type van komische rock wel verrassend breed op. Zo had Menth Reloaded uit de pen van Future Of The Left kunnen komen en de gesofisticeerde koortjes uit de koker van het geniale duo Sparks.

Maar het eigenzinnige geluid en alle songvariatie ten spijt, bevat ‘Run Ego’ gewoonweg te weinig memorabele hooks om te kunnen boeien. En aangezien Men Among Animals zich toelegt op een soort van popmuziek dat feestneuzen wil verenigen zijn zulke wendingen veel meer dan zomaar een aardig extraatje.

Op het moment dat de band zich wel waagt aan een iets avontuurlijker parcours, krijg je daar meteen een licht oncomfortabel gevoel bij. Neem nu Gavrilov, een akoestische ballade die zonder aanleiding tot uitbarsting komt en daarna opnieuw geforceerd van koers wijzigt.

De katholieke manier (om met kinderen om te gaan)

The Coast is in hetzelfde bedje ziek. Minutenlang valt er zo goed als niets te beleven en toch neemt het nummer dan een spannende bocht waarna de benzine alweer blijktop te zijn.
Hoewel ook Catholic Way muzikaal gezien niet echt aanspreekt, is het wel een lichtvoetige aanklacht op de praktijken van pedofiele priesters en de goddelijke hand die hen boven het hoofd wordt gehouden. Actueel, dat is het nummer dus wel, maar door de magere muzikale omkadering vrezen wij toch dat Men Among Animals vooral tegen het koor staat te preken.

Als de band dan tegen het einde van de plaat al rondhuppelend “This is paradise” begint te scanderen over een gitaarrifje waarvan er met gemak dertien in een dozijn gaan, is het helemaal afgelopen met ons geduld.

Het titelnummer is nog een serene Roger Watersachtige slothymne, die de bloedarmoede van het album echter niet kan doen vergeten. En daarmee bewijst Men Among Animals als geen ander dat zot zijn wel degelijk zeer kan doen.

Polar Bear - Peepers

Een band bestaat uit een aantal muzikanten en een drummer. Het is een klassieke grap in het rockmilieu, maar voor jazz gaat die vlieger niet op. Topdrummers als Tony Williams en Jack DeJohnette bewezen het al in het verleden en Sebastian Rochford van Polar Bear bewijst het opnieuw met ‘Peepers’, ongetwijfeld een van de meest groovy jazzstatements van het jaar.

Je zou het hem nochtans niet aangeven. Rochford lijkt de stilte zelve. Op het podium neemt hij de gedaante van een octopus aan. Zijn armen gaan alle kanten op en spelen met het grootste gemak de meest ongewone grooves, maar zijn gezicht geeft geen krimp. En precies vanonder het indrukwekkende kapsel van deze man komen de meest simpele, geniale jazzthema’s.

Happy For You is meteen een schot in de roos. Een hobbelende beat, een krakende gitaar en twee tenorsaxen zorgen voor een unieke sound. Maar het is even wennen aan het vuile geluid van de band. Fans van afgelikte, gepolijste jazz mogen de zaal nu verlaten. Maar misschien raken ze net voor de uitgang nog wel bedwelmd door de sterke melodieën en het verbazingwekkende interplay van het Britse kwintet.

Acoustic Ladyland naar de kroon

Hetzelfde gevoel bekroop je trouwens bij 'Living With A Tiger', de laatste plaat van Acoustic Ladyland. Dat is een andere band van Rochford en Polar Bear-saxman Pete Warham. Beide bands overtuigden zowel jazz- als rockcritici en ‘Peepers’ is het zoveelste spoor van de briljantie van Rochford, Warham en co.

Maar terwijl Acoustic Ladyland hard en snel tekeer gaat, legt Polar Bear nog meer nadruk op textuur, bijvoorbeeld op A New Morning Will Come, gedreven door een hiphopbeat, en op The Love Didn’t Go Anywhere, een compositie die uitblinkt door zijn filmische zeggingskracht. Hissende cimbalen en een bloeimooi thema, meer is er niet nodig om de bittere tragiek uit de titel op te roepen.

Op het onomatopeïsche Bap Bap Bap laat Polar Bear zich van zijn meest funky kant horen. Net als op het titelnummer, dat echter ook avontuurlijke uitstapjes maakt naar soul en de losgeslagen uithalen van de freejazz. Met de ultrakorte, vormeloze improvisaties Bump en Scream begeeft de bende zich zelfs op het territorium van avant-guru John Zorn.

Op zicht hebben de stukjes niet veel te betekenen, maar ze plaveien wel meesterlijk de weg voor Hope Every Day Is A Happy New Year, dat vergeven van de laptopeffecten, kraakt en piept over de hortende ritmes van Rochford. Voor de laptop is trouwens ook een hoofdrol weggelegd in Drunken Pharoah – een knipoogje naar Pharoah Sanders? – dat wiegt en klettert als een kombuis bij stormweer.

We geven niet zoveel om het trage stemmenexperiment dat Finding Your Feet is, maar met All Here heeft Polar Bear het wel weer bij het rechte eind. Enkele verwaarloosbare barstjes buiten beschouwing gelaten, is ‘Peepers’ een machtige ijsschots van een plaat.


woensdag 10 maart 2010

Pantha Du Prince - Black Noise

Een idyllisch olieverfschilderijtje als dat op de cover van ‘Black Noise’ zouden we op elke rommelmarkt straal negeren, maar niet als er Pantha Du Prince op geblokletterd staat. Het derde album van de Duitse elektronicus is een dompelbad van uiterst bedwelmende minimal techno. ‘Black Noise’ houdt ons zeventig minuten lang kopje onder en dat vinden we niet eens erg.

Minimal techno, deep house, dark ambient of hoe je het ook wil noemen, het hoeft geen reden te zijn om Pantha Du Prince op voorhand af te schrijven. Hendrik Weber, de man die achter deze alias schuilgaat, zorgt er immers voor dat zijn brouwsels ook de modale luisteraar kunnen bekoren. Hoe? Met een stevige, zij het wat dompige beat, verrassende samples (zoals de kerkklokken in Stick To My Side) en met een verhaallijn die het abstracte niet schuwt maar ook niet verheerlijkt.

Het zal niemand verbazen dat ‘Black Noise’ geen dansplaat pur sang is, maar moeilijk is ze evenmin. Het is een subtiel werkstuk dat baat heeft bij meerdere luisterbeurten, maar al bij al licht verteerbaar is. We zien het tafereel zo voor ons: de muziek die weergalmt over het Zwitserse meertje van Schuttwald Atzmännig, waar de plaat werd opgenomen. Banaal? Ja, maar evenzeer overweldigend. Net als de locatie zelf.

Op Stick To My Side krijgt Pantha Du Prince deskundige hulp van Panda Bear (aka Noah Lennox van Animal Collective). Vormelijk, qua sfeer en kwalitatief is dat er aan te horen ook. En wij maar denken dat panda’s enkele jaren geleden met betrekking tot copuleren een zerotolerantie hadden afgekondigd. Niet dus.

Het nummer werkt desoriënterend, want na de instrumentale pracht van de eerste drie nummers is er voor het eerst een stem te horen. En wat voor een. Er wordt inderdaad uit het Animal Collectivevaatje getapt, maar daar hebben we geen problemen mee zolang het dit soort songs oplevert.

Sneeuw in het Boheemse woud

Ook Lay In A Shimmer, het eerste nummer, brengt je van de wijs met een bas die na enkele seconden zo dreigend wordt dat de luchtdruk plots angstvallig lijkt te dalen. Abglanz zet de verwondering verder op de tonen van wat klinkt als een sitar, houtblokken en steel drums.

Webers instrumenten zijn namelijk "prepared instruments", die stammen uit een experimentele traditie volgens dewelke bestaande instrumenten naar haar hand gezet worden. Pantha Du Prince doet dat met verve, bijvoorbeeld op het virtuoze Bohemian Forest, maar ook op het intense Es Schneit, een vrije vertaling van het nummer Hilary van The Durutti Column uit 1985.

‘Black Noise’ verraadt ook invloeden van onze eigenste Wim Mertens en moderne componisten als Arvo Pärt. Maar Pantha Du Prince houwt er zijn persoonlijke berglandschap mee uit. Een landschap dat blijkbaar regelmatig overspoeld wordt door een lawine van uitstekende luistertechno.

The Kissaway Trail - Sleep Mountain

Twee jaar na het onder luid gejuich ontvangen titelloze debuut, staat The Kissaway Trail er weer met ‘Sleep Mountain’. Het Deense vijftal slaagt erin de tomeloze ambities van het debuut te sublimeren en manifesteert zich zo als een van de toppaarden uit de Bella Union-stal.

De kerkklokken van SPD luiden het album in. De drums twijfelen tussen roffelen en beuken en de stem laveert tussen warm en ietwat genepen. Akoestische en elektrische gitaren vormen intussen een krachtige blend. De song valt tot twee keer toe stil, alvorens in alle pracht weer los te barsten.

Painter biedt een schitterend vervolg, dat half zo snel is, maar eens zo intens. Het eerdere instrumentarium lijkt bij het huisvuil gezet en ingeruild voor een orgel, een huilende viool en een troostende banjo. Het meerledige New Year grijpt dan weer naar de keel met het epische mannenkoor dat over de minimalistische basis heen zweeft.

En alsof dat alles nog niet ver genoeg gaat, wordt Don’t Wake Up gedomineerd door een accordeon, terwijl voor Friendly Fires zelfs de mellotron nog eens vanonder het stof wordt gehaald. Zoveel variatie en ambitie verdient een rustpunt, en dat komt er met een korte Prelude.

Van Philadelphia naar Odense

Het adembenemende Beat Your Heartbeat zet het tweede deel van de plaat in, waarin vooral de Neil Young-cover Philadelphia uitblinkt. The Kissaway Trail is geknipt voor de job en door het lichte effect op de vocals lijkt Young himself door deze schitterende interpretatie van zijn “latter day classic” te spoken.

Iets lichtvoetiger wordt het met New Lipstick. En in Whirr Or Wings klinkt de stem misschien wat geforceerd, maar de gitaarlijnen behoren tot de meest begeesterende van de plaat.

Enemy zorgt dan weer voor de zoveelste verrassing met zijn gracieuze staccato-symfonie voor gitaar, viool en synth. En als kers op de taart levert The Kissaway Trail met het hymnische Three Million Hour, zelfs een nagenoeg perfect einde af.

Een kleine anderhalve eeuw na de dood van Hans Christian Andersen, heeft de Deense stad Odense er een nieuwe parel bij, en die luistert naar de naam The Kissaway Trail. ‘Sleep Mountain’ een hedendaags sprookje? Zeker weten!