Posts tonen met het label indie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label indie. Alle posts tonen

zondag 27 juni 2010

Kula Shaker - Pelgrim's Progress

Wat te verwachten van een ooit controversiële band die in de nineties furore maakte met eigentijdse psychedelica en een stevige injectie Indiase hallucinogenen? Toch zeker niet dat hij naar het platteland rond Chimay zou trekken om er een nieuwe plaat in the blikken. Het effect van de omgeving op ‘Pelgrim’s Progress’ is moeilijk aan te tonen, maar de Ardeense lucht heeft Kula Shaker duidelijk deugd gedaan.

‘Pelgrim’s Progress’ is in de eerste plaats een goede plaat, maar globaal genomen laat ze een minder vastberaden band horen dan tijdens de gloriedagen elf jaar geleden. Na comebackplaat ‘Strangefolk’ (2007) hadden we overigens geen meesterwerk verwacht. Het momentum van de band is namelijk weg. Van 1996 tot 1999 kende de charismatische Crispian Mills met zijn groep een onwaarschijnlijk succes. Vooral de Britse thuisbodem daverde toen door singles als Hey Dude en Mystical Machine Gun.

Nummers van dat kaliber vind je nauwelijks op Kula Shakers vierde plaat. Een handvol songs valt onder de categorie van de rustieke folk en Indiase instrumenten als tabla’s en sitars, handelsmerken van de band, zijn eerder bij vlagen te horen.

De plaat begint vrij verrassend met Peter Pan R.I.P., dat wordt ingezet door een strijkerskwartet. De song is een grafrede voor de beroemde sprookjesheld. “I’m crying sweet tears of joy // Remembering the days // Games that we’ve played”, laat Mills zich ergens ontvallen. Het nummer laat zich dan ook best verstaan als een nostalgische trip richting jeugdjaren. Akoestische gitaren en strijkers regeren, maar basdrum en belletjes verraden Kula Shakers oosterse invloeden.

Laveren tussen kopie en grand cru

Modern Blues is dan weer Kula Shaker grand cru. Het nummer swingt, heeft een bezwerende melodie als refrein en is een geslaagd eresaluut aan de oude sound. Maar wanneer bij Figure It Out even verderop hetzelfde procédé wordt toegepast, dan klinkt het vooral alsof de band zichzelf kopieert. De tweede albumhelft heeft aanzienlijk minder karakter en samenhang. Nummers als Cavalry en To Wait Till I Come slagen er zelfs helemaal niet in om te beklijven.

Gelukkig eindigt de plaat met het verhoopte epos. Jawel, mét mellotron en een grandioos kerkorgel, waartegen zelfs een muur Marshallversterkers niet op zou kunnen. Tussen de akoestische passages van Winter’s Call door wordt er uitgebreid gesoleerd en toegewerkt naar een symfonisch sluitstuk.

Kula Shaker eindigt dus ambitieus en dat is positief. Dat ook enkele haardvuursongs goed uit de verf komen, bewijst dat de band van vele markten thuis is en nog altijd bestaansrecht heeft. Maar een magnum opus en een evenaring van de vroegere successen zit er voorlopig niet in.

Eerder verschenen op Damusic.be.

zaterdag 19 juni 2010

Surfer Blood - Astro Coast

Surfer Blood werd vorig jaar gelanceerd door Pitchfork. De blogosfeer volgde en droeg het kwartet uit Florida op handen. Nu debuut ‘Astro Coast’ ook een release krijgt aan deze kant van de oceaan, kunnen we de aanstokers van de hype alleen maar bijtreden. Binnenkort staat Surfer Blood op Pukkelpop. Lees hier alvast de kroniek van een aangekondigde triomf.

Het tropische klimaat in West Palm Beach laat zijn sporen na in de broeierige sound van Surfer Blood. Het is echter geen surferbloed dat door de aderen van de bandleden stroomt. Aan de haaienhoes leiden we af dat ze liever surferbloed zien vloeien. Toch wisten spilfiguur John Paul Pitts en de zijnen het surfjuk niet van zich af te schudden. Maar goed, toen de Beach Boys zongen van Surfin’ USA was drummer Dennis Wilson ook de enige echte surfer in het gezelschap.

Surfer Blood past in de stroming nieuwe Amerikaanse bands met een voorliefde voor een zonnige sound, gekruid met noise, lo-fi en shoegaze. Denk daarbij aan Wavves en The Pains Of Being Pure At Heart. Wat Surfer Blood echter van die bands onderscheidt, is het voorgevoel dat de band in staat is een heel nieuw gezicht te laten zien op een (eventueel) tweede album.

Je merkt het aan de kleine details. Pitt producete de plaat niet alleen eigenhandig, hij schreef ook zelf een aantal bescheiden strijkersarrangementen die een song als Fast Jabroni doen aanschurken tegen barokke popmuziek. En dat is nu net iets waar dezer dagen ook opnieuw mee te scoren valt.

De fluwelen stem van Pitt en een heerlijk knapperige gitaarsound vormen steevast de basis. Maar de variatie die Surfer Blood in zijn songs legt is even verbluffend als veelbelovend. Leverden The Shins de inspiratie voor Floating Vibes, dan is Swim meteen helemaal anders: gedrenkt in reverb, met een riff van voorhistorische proporties en een knipoog naar de afropop van Vampire Weekend.

Het waarom van de buzz

Pophooks schudden de mannen van Surfer Blood blijkbaar zo uit hun mouw. Enkel Neighbour Riffs valt als oppervlakkige instrumental van de surfplank. Met Anchorage, tegen het einde van het album, benadert Surfer Blood de perfectie. De gitaarriffs zijn even simpel als geniaal, de drums blijven zes minuten lang onverstoord doorbeuken en Pitt vertelt ondertussen een indringend verhaal over de subarctische stad uit de titel.

“I just want volcanoes to erupt and thaw me out”, zingt Pitt. Zijn verlangen is inmiddels werkelijkheid geworden. De kwaliteiten van de band laten geen twijfel bestaan rond het waarom van de buzz. Met buitengewone verwachting wordt het uitkijken naar Pukkelpop. En dan maar hopen dat de bandleden hun zelfverklaarde “weakness for cocaine and liquor” voldoende onder controle hebben voor een bevestigend optreden en een meesterlijke tweede album.

Eerder verschenen op Damusic.be

maandag 10 mei 2010

We Have Band - WHB

Op een dag maken de leden van We Have Band een autoritje, hun pas afgewerkte debuutplaat ‘WHB’ in de cd-speler. Na afloop kijken de drie elkaar uitgelaten aan: “Yeah, we did it, we actually made a really great album.” We hadden toen erg graag in de kofferbak gezeten om de band toe te roepen dat hun eersteling inderdaad een fantastische plaat is.

Eerste referentiepunt: New Order, Depeche Mode en hun generatiegenoten. Maar maak van We Have Band vooral geen kille eightees revivalband. Hun onwaarschijnlijk rijke sound recycleert evengoed de fuzzy gitaren uit de sixties, de synthexperimenten van Cluster en Eno en de voornaamste trends van de hedendaagse indie/dancescene. Het geheel klinkt erg Brits, erg eigenzinnig en voorzichtig geniaal.

De volle sound maakt dat We Have Band niet alleen goed gedijt op de dansvloer. Door haar fijnzinnige details is de plaat ook ideaal voer voor veeleisende hoofdtelefoons. We Have Band heeft dan ook veel meer te bieden dan enkel een portfolio met wat ruwe schetsen. De twaalf songs zijn helemaal af en onderling verschillend en sterk genoeg om van de allereerste plaat meteen een bescheiden meesterwerk te maken.

Met zekerheid kunnen we ook schrijven dat ‘WHB’ niet zomaar een toevalstreffer is. Het getuigt van visie dat het eerste wapenfeit van het album je meteen op het verkeerde been zet. Piano is zowaar een trage Elbow-achtige smaakmaker met meerstemmige zang en een dartele piano tegen een orchestrale fond.

Topdebuut

Maar ontbindt de band dan al zijn demonen in Buffet, het tweede nummer van de plaat? Nee hoor, er wordt rustig experimenterend verder gebouwd met een gitaarlijn die een slang zo uit haar mand doet dansen. Pas met Divisive, een sterk staaltje indiedance, geeft de band zich over. Opzwepende vocals en een frivole bas introduceren een groove die de band niet meer loslaat. Het warmbloedige refrein van Love, What You Doing levert daarop een eerste hoogtepunt.

Maar uitblinken doen alle nummers. Zonder uitzondering. Honeytrap laat zich best omschrijven als een fictieve studiosessie van José James, de ritmesectie van Moloko en de gitarist van The Rapture. En zo belandt het gezelschap – het echtpaar DeDe en Thomas en vriend aan huis Darren – erg vlot bij een eigen versie van punkfunk op Hear It In The Cans.

Ook Centrefolds & Empty Screens is ronduit innemend. Het door DeDe gezongen You Came Out gaat opnieuw de funky toer op en WHB mag dan wel een variatie zijn op You Came Out, een flauwe doorstart is het allesbehalve. We Have Band gaat bovendien erg inventief om met drieledige, in elkaar geweven zangpartijen, slechts een van de sterktes van de band. Zonder aarzelen: ‘WHB’ is één van de absolute debuutalbums van het jaar.


zaterdag 1 mei 2010

White Light Parade - House of Commons

De Britse politiek is dezer dagen weer controversieel. Na jaren van Bush-bashing is het nu de beurt aan Blair en Brown. Polanski raakte het thema al subtiel aan in zijn recentste film ‘The Ghost Writer’. Maar voor directe aanvallen, straatrellen en anti-establishment-slogans moet je bij White Light Parade zijn. Debuut ‘House Of Commons’ ademt de sfeer van de oude punk, maar schiet te vaak tekort om de woede van 1977 te doen herleven.

Het uitgangspunt is dan ook niet meteen aantrekkelijk. Waarom een genre nieuw leven inblazen dat na een kleine drie jaar al zijn beste kruit verschoten had? White Light Parade stelt zich vragen bij bepaalde wantoestanden, maar is de wat naïeve rebellie van de vroege punk daartoe wel het beste middel? De bandleden vonden blijkbaar van wel, en vertaalden hun desillusie in elf songs van gemiddeld drie minuten en drie akkoorden.

Titels als Burn It Down, Riot In The City, We Start Fires en Heroes And Foes werden verpakt in een album dat ‘House Of Commons’ (de Britse Kamer van Volksvertegenwoordigers) werd gedoopt. Op de vaalgrijze hoes prijkt het huis van de eerste minister, maar dan gesitueerd in een smerige, afstandse buurt. Het logo van White Light Parade brandmerkt de woonst niet zonder enige trots. We gaan 33 jaar terug in de tijd, denk je dan.

Gebukt onder het Clash-juk

Welnu, de eerste punkgolf heeft het viertal zeker niet onberoerd gelaten. Maar de bandleden nemen gelukkig de moeite om verder te kijken dan de buttons op hun vesten. Al kijken ze niet veel verder. The Clash is de ontegensprekelijke referentie voor dit debuut, maar White Light Parade slaat af en toe ook een brug tussen de klassieke punk en de opgang makende frenetieke indiepop-anthems van een band als Two Door Cinema Club.

Met Burn It Down begint de plaat dan ook onverwacht fris. Niet dat de plaat grenzen verlegt - verre van. Maar de pure, op traditionele leest geschoeide punk die we verwacht hadden, wordt in een aantal songs toch van een hedendaagse tint voorzien. Wake-Up, Wait For The Weekend en Young Believers zijn zelfs eerder popsongs met een vleugje punk dan omgekeerd. En Shotgun mengt een punkvibe met een modale rockstructuur, al kan een gemeende “Oi!” niet bedwongen worden.

Terwijl Riot In The City een eresaluut is aan het titelloze debuut van The Clash, verraden de korte reggae-achtige passages op andere songs eerder de invloed van The Clash ten tijde van ‘London Calling’. Al te stereotiepe punksongs als We Start Fires en Surrender zijn dan weer ronduit banaal en overbodig.

Door de overduidelijke adoratie voor annus domini 1977 blijft White Light Parade een buitenbeentje in het hedendaagse landschap. De band gaat nog te zeer gebukt onder het Clash-juk, en de eigen inbreng valt al bij al wat mager uit. ‘House Of Commons’ is een goede poging, maar slechts zelden meer dan dat

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/white-light-parade/house-of-commons

zaterdag 13 februari 2010

Delphic - Acolyte

In de oudheid voorspelde het orakel van Delphi, omgeven door de magische dampen der aarde, het lot van zijn bezoekers. Het orakel van de BBC houdt het dezer dagen bescheidener, maar voorspelde wel dat Delphic één van dé revelaties van 2010 zou zijn. Het potentieel dat aan het trio uit Manchester wordt toegedicht, is aan ons evenmin ongemerkt voorbijgegaan. Met ‘Acolyte’ levert Delphic een meer dan degelijk debuut af.

De persaandacht die Delphics eersteling al kreeg aan zowel Vlaamse als Waalse zijde is niet gering. Het is een zeldzame gebeurtenis dat de neuzen van de muziekcritici zo manifest in dezelfde richting wijzen. Maar het album werd overal voorzichtig lovend onthaald en dat is een houding waaraan ook wij graag onze steun verlenen. ‘Acolyte’ kan namelijk bogen op een aantal hoogst dansbare topsongs.

Een consistente kwaliteit is echter een ander verhaal. De titel ‘Acolyte’ kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden: als “nieuweling” – en dat is Delphic onmiskenbaar en zelfs met verve – maar ook als “volgeling”. Hun muziek beschrijven zonder vergelijkingen met vermeende voorbeelden lijkt dan ook een onmogelijke opdracht. Referenties aan stadsgenoten New Order zijn nooit ver weg.

Maar er is veel meer aan de hand. Zowel de hedendaagse indie als de vroege techno en dance zijn immers goed vertegenwoordigd in Delphics sound. Probeer daar maar eens een etiket op te kleven. Dat is even onmogelijk als zinloos. De open blik waarmee het kunstige drietal zijn laptops te lijf gaat om muziek te creëren is op zijn minst bewonderenswaardig.

Wat er uiteindelijk uit de bus kwam, kan bezwaarlijk worden afgedaan als digitaal knip- en plakwerk. Het merendeel van de melodieën, vlekkeloos gezongen door James Cook, nestelt zich in je oren als een doorgewinterde teek. Maar in plaats van je leeg te zuigen, zijn de songs net van die aard dat ze je opzadelen met positieve gevoelens als gelukzaligheid of lichte melancholie.

Beloftevol, niet foutloos

Doubt is het meest catchy nummer en werd dan ook terecht gekozen als single. Dat ook het wat langdradige Counterpoints een single is geweest, is dan weer moeilijker te verantwoorden. Maar goed, zeven nummers lang doet Delphic het zonder meer uitstekend.

De brede synthtapijten van This Momentary, de weerspannige gitaarsolo in Halcyon, de uitgesponnen rave van het titelnummer,… aan hoogtepunten geen gebrek. Submission lijkt zelfs een keurig opgepoetst archiefstukje van Tears For Fears en dat is eerder een compliment dan een vingerwijzing.

De drie laatste nummers – Counterpoint, het overbodige Ephemera en Remain – halen spijtig genoeg niet meer hetzelfde hoge niveau. Toch heeft Delphic op ‘Acolyte’ gepresteerd wat een debutant hoort te doen: opvallen en het gespreksonderwerp van de dag zijn. De belofte ten volle waarmaken komt later wel.

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/delphic/acolyte

zondag 31 januari 2010

The Soft Pack - The Soft Pack

Het is een ongeschreven wet in de rockwereld dat de laatste plaat die je maakt altijd je beste tot dan toe is. Maar je eerste plaat meteen bombarderen tot “klassieker” of “beste debuut van het jaar” - zoals de PR-mensen van The Soft Pack doen - dat wekt al snel argwaan. The Soft Pack raakt er echter vlot mee weg. Hun titelloze debuut is inderdaad een instant classic.

Laat je vooral niet door de bandnaam om de tuin leiden. Een zachte bende is The Soft Pack in geen geval. Stevig gekruide powerpop op melodieuze wijze, dat is de specialiteit van de band uit San Diego. En de naam? Die werd, net als die van Steely Dan overigens, ontleend aan een dildo.

“Tijdens mijn dooltochten op het internet botste ik op een slappe, transseksuele dildo, The Soft Pack genaamd. Dat vond ik wel cool klinken,” verklaart drummer Brian Hill. We hebben het raden naar het soort van sites waarop Hill rondhangt. Maar dat hij en zijn makkers vlot de weg vonden naar de betere platenzaken van San Diego, daar kan je niet omheen.

‘Murmer’ van REM, ‘Marquee Moon’ van Television, ‘Pink Flag’ van Wire, The Only Ones en The Modern Lovers. Het zijn maar enkele bands en platen waaraan The Soft Pack zich spiegelt. En inderdaad, ook hier moeten we de band prijzen omwille van hun zelfkennis. Elk van die invloeden is wel ergens te horen, al was het maar in een vlaag.

Maar The Soft Pack is geen stoffige lappenpop. Moeiteloos vindt de groep aansluiting bij de energieke rammelpop die dezer dagen uit de States komt overgewaaid. Hier en daar duiken riffs op die zo uit een of ander surfrepertoire lijken geplukt. Drummer Hill pompt de tien songs vol adrenaline. En ook de zang van Matt Lankin is essentieel, altijd egaal met een tikkeltje ruis, kortom heel aangenaam om naar te luisteren.

Met C’mon wordt alles meteen stevig op gang getrokken. Na nauwelijks twee minuten en een minimum aan variatie is de song ten einde, maar de rauwe energie zindert eens zo lang na. Down On Loving gaat op hetzelfde elan verder met schitterende vocalen en striemende gitaren, om zo toe te werken naar hoogtepunt Answer To Yourself.

Tijdloos debuut

Het nummer levert bewijsmateriaal voor het eenvoudige, licht geniale songschrijversgenie dat huist in de band, met tekstregels als: “You gotta write down what you know. You gotta make sure that it’s known. Because they’re coming along to see what you’ve done and they’re gonna claim it for their own.”

Het scheurende orgel van Moving Along, het fantastische, langgerekte gitaarriedeltje van More Or Less en het aan The Feelies herinnerende Flammable geven de plaat de nodige zuurstof om te blijven branden, tot de alles verschroeiende garagehymne Parasites toe.

De titelloze debuutplaat luidt voor The Soft Pack, dat eerder onder de naam The Muslims al een EP opnam, een nieuw begin in. Een perfect begin, kunnen we wel stellen. Tijdloos debuutalbum? Een overdreven bewering? Laat ons niet lachen! Deze plaat gaat de wereld veroveren.

zaterdag 26 december 2009

The Feelies herontdekt - Crazy Rhythms / The Good Earth

Halverwege de Top 100 Greatest Albums Of The 80’s van Rolling Stone prijkt ‘Crazy Rhythms’ van The Feelies, een invloedrijke plaat die meer dan eender welk album op de lijst de tand des tijds heeft doorstaan. Vreemd genoeg is ‘Crazy Rhythms’ vandaag maar matig bekend. De plaat is dan ook jaren niet meer verkrijgbaar geweest. Maar voor fans, en eigenlijk voor iedere rechtgeaarde muziekliefhebber, zijn de eerste twee platen van The Feelies nu opnieuw verschenen in sobere no-nonsense-uitgaves.

Crazy Rhythms was het verrassend frisse debuut waarmee The Feelies in 1980 op de proppen kwam. De naschokken van de punkexplosie waren sterk voelbaar in de sound van postpunkbands als Gang Of Four, Wire en Public Image Ltd, en ook The Feelies deden hun duit in het zakje. Maar wat die laatste groep zo uniek maakte, was een minstens even grote fascinatie voor de psychedelische pop en de garagerock uit de jaren zestig.

De frenetieke cover van Everybody’s Got Something To Hide (Except For Me And My Monkey) van The Beatles levert daarvoor het meest pregnante bewijs. Het is een van die zeldzame covers die het origineel naar de kroon steekt. De rammelende, nonchalante gitaar die doorheen de song hort en stoot, zou overigens ook een constante blijken in de acht ijzersterke songs van eigen makelij.

Met Glenn Mercer en Bill Million (zangers, gitaristen én songschrijvers) hadden The Feelies een machtige, tweekoppige spil in de gelederen. De twee lieten hun gitaren tegen elkaar opboksen in breed uitwaaierende, tranceverwekkende songs als Forces At Work, maar creëerden met eenzelfde gemak delicate momenten van aangename dissonantie.

Onder meer het piepjonge R.E.M keek op naar de even onstuimige als aanstekelijke pop van ‘Crazy Rhythms’. Vijf jaar na het verschijnen van hun debuut, zouden The Feelies Peter Buck in de studio toelaten als co-producer van ‘The Good Earth’. En dat was tegen de gewoonte van de band, die voorheen halsstarrig weigerde te werken met externe producers.

Een teken aan de wand

De aanwijzingen van Buck en de lange sabbatperiode na ‘Crazy Rhythms’ lieten The Feelies niet onberoerd. ‘The Good Earth’ werd een meer dan degelijke plaat, maar wist het geniale van het illustere debuut niet te evenaren. De briesende energie ruimde plaats voor een meer beheerste aanpak. De ruwe sound werd gepolijst, luchtiger en radiovriendelijk. En met de vervanging van drummer Dave Weckermann – een essentiële schakel in het succes van ‘Crazy Rhythms’ – verdween onvermijdelijk een authentiek stukje Feelies.

Maar ook dan nog kon ‘The Good Earth’ wedijveren met leeftijdsgenoten als ‘Born Sandy Devotional’ van The Triffids, al werd het nooit meer zo goed als op ‘Crazy Rhythms’.

Op uitnodiging van The Flaming Lips speelden The Feelies hun meesterwerk eerder dit jaar integraal op All Tommorow’s Parties. Luttele maanden later gooit de band zijn eerste twee platen opnieuw op de markt. Is dit een teken aan de wand? Wij hopen alvast van wel!

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/the-feelies/crazy-rhythms-the-good-earth

maandag 21 december 2009

The Black Heart Procession - Six

Ooit dachten wij dat achter The Black Heart Procession een bloeddorstige blackmetalband schuilging. Niets bleek minder waar. Of toch? Want de rockers uit San Diego zijn behoorlijk bezeten door de donkere kant van het menselijke bestaan en al wat des duivels is. ‘Six’, een albumtitel die verwijst naar het nummer van de duivel, geldt echter niet bepaald als het credo van de band. Deze keer moeten de demonen het afleggen tegen de wisselvalligheid.

Songtitels als When You Finish Me, Drugs en Suicide verraden meteen dat de exorcist nog niet bij The Black Heart Procession is langsgeweest. Het akelige universum van de Californische band is dan ook intact gebleven. Toch schort er iets aan ‘Six’.

Wie zich het vorige album, ‘The Spell’, nog herinnert, weet dat openingsnummer Tangled je meteen meesleurde in de maalstroom van The Procession. Die tactiek lijkt gewijzigd op ‘Six’, dat begint met de feërieke pianotonen van When You Finish Me, lang geen slecht nummer. De lage stem van Pall Jenkins en de aanzwellende strijkers wiegen ons echter in slaap nog voor de plaat goed en wel begonnen is. De woorden “Just close your eyes” lijken dan ook onbedoeld welgemikt.

De ingehouden woestijnballad Wasteland doet het al niet veel beter. Samen met Rats en Back To The Underground kan het geklasseerd worden in het vakje “variaties op Red Right Hand van Nick Cave”. Witching Stone legt zowel het tempo als het niveau hoger en slaat dan ook in als een bom. Met zijn volstrekt unieke geluid van gedempte gitaren, spookachtige zang en een schitterende circulaire melodie heeft deze song alles van een instant classic

Wispelturig

Helaas is Witching Stone een van de weinige nummers op ‘Six’ waarbij de melodie het haalt van de sfeerschepping. Rats komt nog in de buurt, maar is al een pak minder beklijvend. Helemaal loopt het mis met Drugs, een vrij clichématige ballad die door een sobere instrumentatie gewoonweg te veel nadruk legt op tekstregels die te weinig om het lijf hebben.

Na Drugs komt All My Steps verrassend als een duivel uit een doosje. Met een fond van loodzware, pompende strijkers begeeft The Black Heart Procession zich zowaar in het vaarwater van avant-gardetroubadour Tom Waits. Een ander woord dan ingenieus kunnen we overigens nauwelijks verzinnen voor de geluidsmix van dit nummer.

Jammer genoeg zit er weinig venijn in de staart van The Procession. Suicide laat wel weer een verrassend geluid horen. Last Chance is een aardige variatie op Heaven And Hell en afsluiter Iri Sulu is een van de meer geslaagde tragere nummers. Maar op dat moment hebben we het beste wel achter de rug. The Black Heart Procession toont zich meesterlijk in het constante wisselen van klankkleur en intensiteit, maar weet niet te ontsnappen aan de val van de wispelturigheid.

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/the-black-heart-procession/six

The Longcut - Open Hearts

“The Longcut verzet zich tegen elke vorm van hokjesdenken”, lazen we op een gerenommeerde popsite. Tot zo ver zijn we mee. Maar wat de band uit Manchester presenteert op zijn tweede album ‘Open Hearts’ is een warrig geheel van songs die met haken en ogen aan elkaar hangen.

Vis of vlees? The Longcut kan duidelijk moeilijk knopen doorhakken en maakt dan maar één gerecht van beide. Het etiket “indie dance” is niet uit de lucht gegrepen, maar lijkt eerder een eufemisme voor een band die het spoor bijster is, dan dat het een kwaliteitslabel is.

Resultaat is dat The Longcut noch een danceband, noch een echte rockband is, maar ergens zweeft in de ijle zone daartussen. Bovendien hebben de Mancunians ook moeite met het onderscheid tussen wat live werkt en wat het in de studio doet. Zelfs de meest open geest zal moeten toegeven licht verward te zijn door ‘Open Hearts’.

“Put on those dancing boots / We’re going to tear this poison out at the roots”, een tekstregel uit openingsnummer Out At The Roots, klinkt aanvankelijk nog als een intentieverklaring. Gaandeweg wordt echter duidelijk dat de muziek zelf een andere boodschap uitdraagt. Beginnen nummers als Repeated en Boom nog dansbaar en fris, dan gooit de uitgevlakte zang van Stuart Ogilvie roet in het eten.

De semi-openhartige teksten, die door Ogilvie zoutloos en bij momenten zagerig gedeclameerd worden, komen trouwens zelden oprecht over en zijn niet bepaald noemenswaardig omwille van hun literaire kwaliteiten. Sloganachtige herhalingen blijken kenmerkend voor The Longcut, en de ergernis loopt dan ook hoog op als we horen hoe een anders behoorlijk nummer als Evil Dance erdoor naar de vaantjes wordt geholpen.

Hoe ironisch!

The Last Ones Here vertrekt dan weer wél van een intrigerende vraag: “Hoe zullen mijn vrienden en familieleden reageren op mijn dood?” Helaas slaagt The Longcut er ook hier niet in een coherent verhaal neer te zetten. Een concept als dit ontplooien zonder ook maar de minste emotionele weerslag op te wekken, je moet het maar kunnen. Zeker op het einde van een al niet te beste plaat, smaakt het bijzonder wrang dat zo’n kans onbenut gelaten wordt.

The Longcut experimenteert graag, maar niet doelgericht. Zo wordt op ‘Open Hearts’ heel wat onnodig gerekt en lawaai gemaakt. Het maakt de weinig memorabele melodieën en de songstructuren – variërend van erg voorspelbaar tot onvoorstelbaar geforceerd – er niet spannender op.

The Longcut, een antoniem van shortcut, dreigt zo een ironische benaming te worden voor een (ongetwijfeld erg getalenteerde) band die tegen beter weten in allerlei omwegen neemt, om zich na een tijdje vast te rijden in doodlopende straatjes. Hoog tijd dat er een vaste hand op de scène verschijnt die The Longcut in een duidelijke richting stuurt. Dat lijkt de enige weg naar succes.

Eerder verschenen op: http://www.damusic.be/cd/the-longcut/open-hearts

dinsdag 20 oktober 2009

Mew - No More Stories

Met een haast kinderlijke rusteloosheid telden we maandenlang de dagen af tot de release van Mews ‘No More Stories’, een beetje zoals we vroeger deden in de aanloop naar Pasen. En om die vergelijking compleet te maken, koos Mew voor een cover met een gevleugeld paasei. Een teken aan de wand, zo blijkt, want ‘No More Stories’ moet niet onderdoen voor de grandeur van die klokken van Rome.

Na het vertrek van bassist Johan Wohlert zijn ze bij Mew officieel nog maar met drie. Toch slaagt de Deense band erin om zichzelf, met behulp van een batterij gastmuzikanten, te overtreffen. Zoiets leek bij de release van het uitstekende ‘And The Glass Hand Kites’ in 2005 nochtans ondenkbaar. Maar terwijl die plaat van vele walletjes tegelijk at, vertoont ‘No More Stories’ een meer rechtlijnige aanpak, waardoor het muzikale verhaal als geheel een minder grillig parcours aflegt.

Door de nog prominentere aanwezigheid van synthesizers is Mews sound bovendien een tikkeltje romiger, maar zeker niet flauwer geworden. Integendeel zelfs. De dromerige en spacy pop waarvan de band zijn handelsmerk maakte, wordt er alleen maar krachtiger door. En ook de hemelse vocalen van Jonas Bjerre weerkaatsten nooit eerder tegen een pakkender decor.

‘No More Stories’ mag zich overigens de trotse vader noemen van Cartoons And Macramé Wounds, Mews mooiste vocale bravourestukje tot nog toe. De meervoudige zanglijnen van Bjerre en een vierkoppig vrouwenkoor zijn zo sierlijk verweven dat je tekstregels hoort die er wonderlijk genoeg niet zijn. Het is een soort magie waarvan wij week worden vanbinnen.

Cartoons And Macramé Wounds, nummer zeven op de plaat, lijkt bovendien het hoogtepunt van een songcyclus die begint bij openingsnummer New Terrain. Met de korte intro Hawaii Dream - waarvan de volledige tekst als albumtitel dienst doet - begint de volgende reeks van zeven nummers. Bovendien is het vijfde nummer van elke cyclus bij wijze van intermezzo een titelloze (quasi-)instrumental en is het afsluitende Reprise een symfonische miniversie van Silas The Magic Car.

Tegendraads, exotisch, poëtisch

Dat Mew iets afweet van albums maken, is al lang geen geheim meer. Maar de tweeledige structuur van ‘No More Stories’ is zonder overdrijven onovertroffen. Is het Mews persoonlijke knipoog naar de grote albumkunst van de jaren zeventig? Goed mogelijk, want ook ‘And The Glass Hand Kites’ was een erg verzorgde en coherente plaat. En ook puur muzikaal graaft de band trouwens in het verleden, naar zowat alles tussen prog en indierock.

Ach, wat valt er veel goeds te zeggen over ‘No More Stories’, over de tegendraadse ritmes van Introducing Palace Players, over de in indiepop gegoten jeugdherinneringen in Beach, over de exotische percussie in Hawaii, over de donkere ondertonen van de jaren tachtig in Tricks Of The Trade en over de poëtische, in het dagelijkse leven gewortelde teksten. Wat ons betreft, hoeft er vandaag inderdaad geen ander verhaal meer verteld te worden.

Eerder verschenen op http://www.damusic.be/cd/mew/no-more-stories-are-told-today-im-sorry-they-washed-away-no-more-stories-the-world-is-grey-im